Weerlegging van een kritiek op mijn filmpje (update)

Vandaag verscheen op de website van Logos Instituut een kritisch artikel op de video die ik onlangs maakte over de varen van het Carboon. Ik toonde dat die varen er identiek uitziet als een levende, nog bestaande soort. De auteur beweert dat ik kort door de bocht ga, en is niet akkoord met mijn bevinding.

De auteur beweert het volgende:

“De mannetjesvaren is een plant die behoort tot de niervarenfamilie (Dryopteridaceae). Deze kenmerkt zich onder meer door een korte wortelstok (zie figuur 1). Deze varens planten zich voort door middel van sporen, die zich bevinden in ‘sporenhoopjes’ of ‘sporendoosjes’ (sori) en bedekt zijn met een dekvliesje (indusium). De varen waarvan het fossiel hier besproken wordt, de kamvaren (Pecopteris sp.), behoort tot de zaadvarens. […] Deze planten zich voort door middel van zaden. In tegenstelling tot de mannetjesvaren, had de Pecopteris ‘het aanzien van een boomachtige varen’. […] Eigenlijk vrij aanzienlijke verschillen dus. Wat nu te vinden van de in het filmpje gemaakte vergelijking? In elk geval valt er voor eventuele verwarring wel wat te zeggen.”

De auteur beweert dat alle fossielen van Pecopteris-soorten afkomstig zijn van zaadvormende boomvarens. Mag ik vriendelijk wijzen op het volgende (van wikipedia):

Pecopteris is een zeer algemeen vormengenus van bladen. De meeste Pecopteris-bladen worden geassocieerd met de boomvaren Psaronius. Echter, Pecopterys-type gebladerte is ook afkomstig van verschillende echte varens (Polypodiales), en ten minste één zaadvaren.

Op wikipedia, bij ‘fossiele varens’, kun je enkele namen van ‘Pecopteris-soorten’ zien die aan ‘echte varens’ worden toegeschreven. Wat zijn echte varens? Sporenvormende varens zoals… de mannetjesvaren (Dryopteris) die tot Polypodiales behoort. Bij echte varens heb je trouwens twee verschillende soorten bladen: de steriele bladen en de sporenvormende bladen. Ik heb bewust een steriel blad genomen van een mannetjesvaren, omdat het fossiel ook een steriel blad toont. Geen sporenhoopje te zien op beide bladeren, terwijl ze in een later stadium, op een ander blad, wel aanwezig kunnen (konden) zijn. En vanwaar die automatische aanname dat dit fossiel van een boomvaren was? Kan iemand mij bewijzen dat dit van een boomvaren was, en dat dit ding uitgestorven is? Nee, er kan helemaal niets worden bewezen. En boomvarens bestaan trouwens ook nog altijd. Boomvarens zijn zeer grote planten en hebben dan ook, overeenkomstig hun grootte, zeer grote bladen, met breedtes van 25-30 cm en meer. Sommige Pecopteris-soorten zullen inderdaad boomvarens geweest zijn. Meestal wordt daarnaar verwezen als “Pecopteris arborescens.” Boomvarens hebben bladen bestaande uit drie deelbladen (bladschijf, 1e, 2de en 3de orde), terwijl gewone varens slechts twee bladorden hebben (bladschijf, 1e en 2de orde).

Dit is bijvoorbeeld Dicksonia antarctica:

BO629HR: oktober 2011

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/e/eb/Nzfern.arp.500pix.jpg

Die bladen zijn zeer groot (hier schat ik ze op 30 cm breed). Maar de deelblaadjes van de hoogste orde (dus de kleinste blaadjes) zijn relatief klein, en veel kleiner dan mijn fossiel.

Typerend voor veel boomvarens is dat de blaadjes van de 1ste orde zeer lang zijn en over quasi de hele afstand gelijkmatige blaadjes van de 3de orde dragen:

Links: Pecopteris arborescens, rechts: een mannelijke boomvaren (Cibotium menziesii).

Dit bij mijn relatief klein fossiel (9 x 12 cm) niet het geval: reeds vanaf het 7de blaadje van de hoogste orde treedt verkleining op: dit is eerder een kenmerk van gewone, echte varens.

Dit is hier een ander, los ‘Pecopterisblad’ in een museum in de VS:

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/96/Exhibit_Museum_of_Natural_History%2C_Ann_Arbor_-_IMG_9198.JPG

Opvallend: een los deelblad van de 2de orde van één of andere zogezegde boomvaren? Lijkt verdacht goed op dubbelloof (Blechnum spicant) me dunkt:

Waarom zou het niet kunnen? Want de bladen die je op de foto ziet, en die sterk lijken op het fossiel, zijn beide steriele bladen. De fertiele bladen bij dubbelloof zijn de zogenaamde ‘graatvormige’ bladen.

Bovendien heb je – net zoals bij alle planten – variatie binnen de bladvorm. Deelblaadjes (van de 1ste, 2de en de 3de orde) kunnen verder of iets minder ver uit elkaar staan, het ene deelblad (2de of 3de orde) kan wat meer kartels hebben, bij een andere bladsteel of plant kan het zonder kartels… (bij mannetjesvaren heb je veel onderlinge variatie, ga maar op onderzoek in het bos!). En bladen kunnen van verschillende grootte en vorm zijn, naargelang het groeistadium, leeftijd van de plant, habitat (rand van het bos of in open veld), seizoenale schommelingen (nat of droog weer), en genetische variatie. Dus daarop moeten we ons ook niet blind staren. Sommige evolutionisten schreeuwen dan: kijk dat blad is een beetje anders, het is niet dezelfde soort! Flauwe kul.

Dit zijn allemaal bladen van dezelfde soort en dezelfde plant (Blechnum spicant):

Merk op hoe verschillend de blaadjes van 1ste orde zijn (de ‘deelblaadjes’): uiterst links een fertiel blad (zeer smalle blaadjes met veel ruimte tussen); de rest zijn steriele bladen met daarin duidelijk heel wat variatie in lengte, breedte en onderlinge afstand van de blaadjes. Ook de hoek lijkt zeer variabel. Maar ze zijn afkomstig van één en dezelfde plant.

Hier, twee bladeren van de hulst (Ilex aquifolium), afkomstig van dezelfde struik:

Fossiel zouden deze als twee verschillende soorten worden geïdentificeerd!

En dit zijn allemaal bladeren van de klimop:

Op basis van wat wordt aangenomen dat alle varens die in Carboonlagen worden gevonden perse uitgestorven zijn? Dat alle bladen die worden gevonden afkomstig zouden zijn van boomvarens? En dat die boomvarens ook allemaal uitgestorven zijn? En dat er dus veel “evolutie” moet zijn geweest?

Maar men hoeft in geen geval vijf jaar aan de unief paleontologie te hebben gestudeerd, en dan nog een paar jaar gedoctoreerd te hebben, om te zien dat bepaalde fossielen gewoon nog altijd onveranderd voortbestaan. Ik wordt bekritiseerd vanwege mijn eenvoudige – voor de leek begrijpbare – “onwetenschappelijke” benadering. Maar wat is wetenschap? Dat is toch observeren, vaststellen en interpreteren? Wat deed Darwin? Juist hetzelfde, maar binnen zijn eigen paradigma (van evolutie). Ik doe niets anders, maar dan binnen een ander paradigma.

En laten we niet rond de pot draaien: de ‘officiële’ wetenschap die zich met fossielen en geologie bezighoudt en de evolutietheorie moet “bewijzen” is ronduit leugenachtig. Denk maar aan de fossielen van Pakicetus, Ambulocetus en Rodhocetus, de zogenaamde voorouders van de walvis, waar men mee knoeide; en Australopithecus (het geknoei met Lucy e.a.). Of zoals de “voorouder” van de zeehondachtigen, die eigenlijk gewoon een rivierotter blijkt te zijn. En al die andere levende fossielen die zogezegd geëvolueerd zijn. Om dan nog niet te spreken over die dateringstechnieken die berusten op onmogelijk te bewijzen aannames (bij radiometrie namelijk: géén dochterisotoop op tijdstip t(0) en radioactief verval is altijd constant geweest). Wetenschap? Wishful thinking noem ik dat.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s