Twee soorten “evolutie”

Het is belangrijk om, als we spreken over evolutie, twee soorten “evolutie” te onderscheiden.

Er is evolutie, mogelijkheid tot variatie of aanpassing binnen een soort. Een mooi voorbeeld is een bepaald kevertje dat resistentie verkrijgt tegen een bepaald pesticide. Dat resistente kevertje zal echter perfect kunnen paren met een niet-resistent kevertje en voor nakomelingen kunnen zorgen. Of de berkenspanner die twee kleurvariaties heeft (twee allelen van een gen die codeert voor de kleur die tot uiting kunnen komen) en waar in vervuilde gebieden (waar de berken zwarter zijn door de roet en fijn stof) meer de zwarte variant voorkomt, omdat die zich beter kan camoufleren. Echter, de witte en zwarte versie blijven één en dezelfde soort. Een ander voorbeeld: alle variaties bij onze gedomesticeerde soorten, die meestal ondersoorten zijn van wilde (soms uitgestorven) soorten. Er ontstaat in geen geval een nieuwe soort. Dit noemen we ook wel micro-evolutie. Deze vorm van “evolutie” werd waargenomen, en valt niet te betwisten. Dit is een feit.

De evolutietheorie van Darwin stelt echter dat deze (waargenomen) micro-evolutie binnen een soort kan leiden tot het ontstaan van totaal nieuwe soorten, over een zeer grote tijdspanne. Deze opvatting zou het leven verklaren en alle soorten die we rondom zien, welke allemaal zouden ontstaan zijn uit die ene “oerbacterie” die 3 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan in een soort “oersoep.” Deze vorm van “evolutie” werd niet waargenomen, en is en blijft tot op heden slechts een hypothese, een theorie. Alle veronderstellingen die Darwin deed in zijn boek “On the Origin of Species” konden bovendien tot op heden niet bewezen worden.