Evolutie van de walvissen

Bedrog, leugens, valse modellen in musea…het hoort er allemaal bij als het gaat over de evolutie van de walvis. Evolutie van de walvis was één van de stokpaardjes om evolutie “aan te tonen” aan de Gentse universiteit. Men toonde echter enkel de getekende schema’s en nooit de werkelijke fossielen.

Foto: Carl Werner – Evolution, The Grand Experiment, Ep 1. (met toestemming).

Men voegt aan modellen geëvolueerde spuitgaten en flippers, walvissenstaarten of zwemvliezen toe terwijl daar geen fossiele aanwijzingen voor zijn. Als men dan een meer compleet fossiel ontdekt die hun model tegenspreekt, worden de valse modellen niet weggehaald uit de musea. Pakicetus, Ambulocetus en Rhodocetus, de zogenaamde “overgangsvormen”, waren géén “walvissen” maar doodgewone landzoogdieren. Bovendien is er nog nooit een fossiel gevonden van een walvisachtige met een spuitgat ergens in het midden, en wordt Pakicetus, één van de “vroegste voorouders” tevens in dezelfde lagen gevonden als Basilosaurus, een volledig ontwikkelde walvisachtige.

Een vals model zonder enige wetenschappelijke, fossiele basis.

Nog een ander probleem is het ontstaan van echolocatie bij tandwalvisachtigen. Om de echolocatie te doen werken heb je vier dingen nodig die tegelijkertijd aanwezig moeten zijn:

1) Fonische lippen, net onder het blaasgat, welke de ultrasone klikgeluiden produceren.

2) Meloen, die zorgt dat de SONAR werkt, en de ultrasone geluiden kunnen gericht worden.

3) Een holle onderkaak, opgevuld met een soort vetweefsel, die de teruggekaatste geluiden doorgeeft aan het gehoorbeen (alle andere zoogdieren hebben géén holle onderkaak!)

4) Een in de schedel los liggend gehoorbeen, welke de signalen via de onderkaak opvangt en doorgeeft aan de hersenen (alle andere zoogdieren hebben een gehoorbeen dat vast zit in de schedel!)

Dit zou dan door random mutatie moeten gebeuren!