De geschiedenis van de aarde vanuit creationistisch en Bijbels perspectief

Hoewel ik reeds een lijvig boek heb geschreven omtrent ‘De evolutietheorie ontkracht’, heb ik het eigenlijk nog nooit gehad over hoe de geschiedenis van de aarde in z’n geheel zich heeft ontvouwd vanaf de zondeval tot op heden. Zeer veel aspecten, zoals de diverse aardlagen, de zogenaamde ‘pleistocene fauna’ etc. zijn allemaal te verklaren vanuit creationistisch perspectief. Let wel, de ene creationist is de andere niet, en er zijn creationisten die anders denken dan ik. Dit is de geschiedenis zoals ik die zie, en zoals het hoogstwaarschijnlijk geweest is als je alle feiten in overweging neemt.

Onze reis doorheen de geschiedenis begint ruim 6000 jaar geleden, zo’n 4000 v. Christus.

Het begon met een volmaakte aarde, waar de dood niet heerste. De aarde was in een soort vergeestelijkte toestand. Er was wel materie, maar niet zoals wij dit vandaag kennen. Alles was perfect, volmaakt en onsterfelijk. Er was geen predatie, geen vergankelijkheid. Dus de kringloop der natuur (eten en gegeten worden) bestond niet. Geen parasieten, ziekten, virussen, gevaarlijke insecten, roofdieren etc. Het was pas na de zondeval dat de schepping een soort herschepping onderging: de vloek van de zondeval transformeerde als het ware de aarde. Ziekte, lijden en dood deed zijn intrede, en er kwamen schepselen die er voorheen niet waren (de Tyrannosaurus rex zal niet in het paradijs hebben rondgelopen). Ook kregen veel planten vanaf dan doornen (denk aan sleedoorn, meidoorn, rozen, bramen,…).

Hoe zag de aarde eruit? De zeespiegel was wellicht een stuk hoger dan nu, en er was slechts één supercontinent, wat Pangea genoemd wordt. Het was op heel dat continent wellicht een soort tropisch of warm klimaat, met zeer veel vegetatie: wouden, moerassen, mangrovebossen, etc. Ook waren er nu verloren gegane biotopen, met plantensoorten die wij nu niet meer kennen.

Ook leefden er toen dinosauriërs, wat synoniem is voor ‘verschrikkelijke hagedissen’. Feit is dat de “zwinkokkel” fossielen (duidelijk pre-zondvloed) die we hier kunnen vinden (en die nu nog voorkomen langs de westkust van Afrika) en uiteraard ook vele andere fossielen, tonen dat er hier ooit een warme zee was en een veel warmer klimaat.

Er verliep ongeveer 1000 jaar tussen de zondeval en de zondvloed: de grote straf die God zond om alle leven op de planeet te vernietigen, behalve Noah en zijn familie, en de dieren in de ark. Volgens de visioenen van A.K. Emmerick blies Noah op een soort fluit om de dieren vanuit de vier windstreken naar de ark te lokken. Dat wil dus zeggen dat de dieren allemaal vanop dat ene continent konden migreren naar de plaats van de ark, zonder oceanen te moeten oversteken.

Welke dieren gingen er op de ark? Van de meeste ‘soorten’ één paar. Maar uiteraard ging het over basissoorten. Dus op de ark zal een soort olifant hebben gezeten, maar misschien was het een soort mammoet of mastodont, en geen kale olifant zoals we die nu kennen. Ook één paar katachtigen, etc. De soorten die wij ‘soorten’ noemen zijn eigenlijk ondersoorten/rassen, die zoals alle hondenrassen die vandaag bestaan, op een paar honderd jaar uit de ‘oervorm’ konden “micro-evolueren” na de zondvloed.

Wat gebeurde er tijdens de zondvloed? De zondvloed was een catastrofale gebeurtenis, het einde van de toenmalig bekende wereld. De zondvloed duurde meer dan een jaar en het water bedekte alle bestaande land. Er waren vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, continentenverschuivingen, water die vanuit de ondergrond naar boven kwam, en misschien ook meteorietinslagen. Het moet vrij gewelddadig geweest zijn, maar de aarde werd gans getransformeerd en herschapen als het ware. Alle plantenmassa die toen aanwezig was, werd begraven.

Van veel fossielen van tijdens de zondvloed kun je zien dat ze vrij snel levend in sediment werden begraven. Een mooi voorbeeld zijn de brachiopoden die ik vond in Cap Blanc Nez (die nog bestaat en heden Copopthyris wordt genoemd):

Ook het origineel zacht weefsel dat nog wordt gevonden in botten van dinosauriërs toont dat deze dieren niet zo heel lang geleden vrij snel werden begraven in sediment.

Hele pakken sediment werden omgegooid, afgezet, gebergten werden gevormd, heuvels, dalen,… hele landschappen kregen vorm. De pakken sediment die we bvb. kunnen zien langs de opaalkust (kalkhoudende leem, micriet, krijt, kalksteen,…) zijn allemaal afgezet tijdens de zondvloed.

De ark van Noah kwam zoals de Schrift het zegt, te liggen op de ‘bergen van Ararat’, in het huidige Turkije, en daar zijn nog sporen van te zien. Zie ook de website Noah’s Ark Scans.

Door vulkanische activiteit werd zeer veel vulkanische as in de atmosfeer gestoten. Nadat het water was weggetrokken, kwam er in de loop der jaren daarna een afkoeling van het klimaat. Er was zeer veel sneeuwval in de poolgebieden en gebergten, met vorming van ijskappen en gletsjers. De zeespiegel zakte tot ver onder het huidig niveau. Daardoor ontstonden landbruggen en konden dieren vanaf de plaats van de ark (nadat ze zich reeds hadden vermenigvuldigd) te voet migreren over deze landbruggen naar hun huidige leefgebieden.

Feit is dat de huidige fauna op eilanden zoals bijvoorbeeld Engeland (die dezelfde is zoals op het Europese vasteland) daar moet zijn terecht gekomen toen het ‘kanaal’ nog niet bestond. In die periode, we spreken over 3000-1000 voor Christus, kregen we hier in Europa een gelijkaardige fauna als in Afrika: met neushoorns, olifanten, leeuwen, etc., maar ook herten, everzwijnen, en noem maar op: diersoorten die hier vandaag nog altijd voorkomen. De neushoorn hier had lang haar, en wordt wolharige neushoorn genoemd, de olifant had ook lang haar, en kennen we als mammoet. Daarvan worden nog botten gevonden op de bodem van de Noordzee, van wat eens ‘Doggerland’ was. Ook ik vond ooit op het strand te Oostende nog resten van dieren die daar ooit leefden, zoals een stuk gewei van een edelhert, wervels van een ree, een kaaksbeen van een everzwijn, een kies van een paard, en zelfs eens de botten van een voet van een paard. Ik heb dozen vol fossielen gevonden.

Stuk gewei van een edelhert – onderaan de basis waar het gewei aan de schedel was gehecht. Vindplaats: strand Oostende.

Maar er moeten ook her en der nog dinosauriërs geleefd hebben (de zogenaamde draken uit oude verhalen). Als daar dan resten van worden gevonden, zelfs in klei, dan worden die altijd als meer dan 66 miljoen jaar oud bestempeld.

Na deze periode begon het zeeniveau terug te stijgen. Maar rond het jaar 0 (dus in de Romeinse periode) lag het zeeniveau nog steeds lager dan nu. Het Doggerland was wel al overstroomd, het kanaal gevormd (Engeland afgescheiden van de rest van Europa), maar het zeeniveau was nog niet op het huidige niveau. Een groot gedeelte van de kustvlakte was een schor en slikkengebied doorsneden door geulen en kreken. De rest was een uitgestrekt laagveengebied. Het is in deze drassige en beboste turfgronden, waar berk, els, wilg groeide, dat Julius Caesar met grote moeite erin slaagde de Morinen en Menapiërs te onderwerpen (ca. 52 v. Chr.). Daartoe werden knuppelwegen en veenbruggen gebruikt. Een niet gedetermineerde knuppelweg werd in 1948 op het strand te Oostende gevonden (bij laag water).

Overal ter wereld werden de landbruggen (zoals bvb. rond Indonesië en Oceanië, maar ook de beringstraat tussen Azië en Amerika) overspoeld door de zee, en werden dieren en mensen geïsoleerder. Door kleine genetische veranderingen ontstonden nieuwe rassen die soms zelfs enkel op een bepaald eiland voorkomen (denken we bvb. aan de Sumatraanse neushoorn, Sumatraanse tijger). Sommige rassen van dieren, zoals de mammoet, werden te fel bejaagd en kregen te maken met veranderend leefgebied, en verdwenen. Andere olifantachtigen bleven bestaan. Zo ook met de neushoorns ea.

Tijdens de vroege middeleeuwen (vanaf ca 270 tot 700 n. Chr.) kregen we een nieuwe overstroming van de kustvlakte hier in de lage landen, als gevolg van een verdere zeespiegelstijging. Het veen werd bedekt met een laag klei, en er ontstond een netwerk van kreken. Daarna kregen we een kleine zeespiegeldaling, de zogenaamde Karolingische regressie (van ca. 700 tot 1000 n. Chr.). tijdens dewelke een nieuwe duinengordel gevormd werd. Door deze daling werd de poldervlakte die was ontstaan door afzetting van klei op veen, in gebruik genomen voor veeteelt. Daarna was er opnieuw een transgressie (overstroming van de kust) door een nieuwe, maar beperkte zeespiegelstijging. In de 11e eeuw worden de eerste zeewerende dijken opgeworpen en begon onze kust, en alle kusten wereldwijd, diens huidige vorm te krijgen.

Bibliografie: BIELLIET G., O.L.Vrouw Ter Duinen (Hoofstuk 1: Schets van de vorming van onze kust); 1981

Plaats een reactie