Pseudowetenschap

Evolutionisten (die geloven in ruim 600 miljoen jaar evolutie) verwijten de creationisten (zij die geloven in een relatief jonge schepping) steevast dat zij ‘pseudowetenschap’ beoefenen. Maar wie beoefent er nu pseudowetenschap?

De creationist die ziet dat een zogezegd uitgestorven nautilus (+ Cymatoceras) quasi identiek is aan een hedendaagse nautilus (+Nautilus) en dat die zogezegd uitgestorven nautilus dus eigenlijk NIET uitgestorven is? Of de evolutionist die dit fossiel – op basis van enkele nooit te bewijzen aannames bij datering – als 100 miljoen jaar oud bestempelt; op basis van die bekomen leeftijd het in een ander geslacht onderbrengt en het als uitgestorven bestempelt, terwijl het eigenlijk weinig verschilt van een nog bestaande vorm?

De creationist die ziet dat de zogezegd uitgestorven zwinkokkel (+ Venericor planicosta) identiek is aan de nog bestaande Cardiocardita tankervillii, die langs de westkust van Afrika, boven de evenaar, voorkomt, en het het als dezelfde soort beschouwt? Of de evolutionist die op basis van de vermeende leeftijd (ca. 40 miljoen jaar) het als uitgestorven bestempelt en het in een ander geslacht onderbrengt, terwijl er nog steeds zo’n kokkels bestaan die geheel identiek dezelfde kenmerken hebben?

De creationist die vaststelt dat er origineel zacht weefsel en zelfs origineel celweefsel wordt gevonden in zogenaamde miljoenen jaren oude botten van dinosauriërs, en daarmee concludeert dat die zaken geen miljoenen jaren oud kunnen zijn? Of de evolutionist die wel ziet dat er origineel celweefsel in wordt gevonden, maar desondanks zich blijft vastklampen aan die vermeende (en nooit te bewijzen!) leeftijd van miljoenen jaren, zelfs nadat er C-14 werd teruggevonden in die fossielen, en dan tracht theorieën te bedenken om de “miljoenen jaren lange bewaring” van die weefsels te kunnen uitleggen?

De creationist die ziet dat aan de Opaalkust de vermeende laag van het Pleistoceen gewoon doorloopt in die van het Krijt, en die lagen daarom als even oud (of jong) beschouwt? Of de evolutionist die dit monsterachtig probleem gewoon wegwuift en zich blijft vastklampen aan de toegekende leeftijden zoals op de geologische kaart?

Links: Pleistoceen; rechts: Krijt. De lagen lopen gewoon over in elkaar.

Wie bedrijft er pseudowetenschap? De creationist die ziet dat de originele fossielen van Australopithecus eigenlijk aapachtig waren, en Australopithecus er net zo uit zag als een moderne chimpansee? Of de evolutionist die de fossielen manipuleert om een aap te bekomen die rechtop loopt zoals een mens?

De creationist die ziet dat Ambulocetus gewoon een landzoogdier was? Of de evolutionist die het fossiel manipuleert en er een ‘blaasgat’ aan toevoegt, om het meer op een ‘wandelende walvis’ te doen lijken, terwijl daar nul komma nul fossiele evidentie voor was?

Wie bedrijft er nu pseudowetenschap? Diegene die objectieve vaststellingen doet? Of diegene die alles tracht in zijn kraam te doen passen, desnoods met geweld (manipulatie)?

De creationist die naar een levende cel en de informatie in het DNA kijkt, en zich daarover verwondert, en omwille van de enorme complexiteit zich ervan bewust wordt dat dit niet vanzelf kan zijn ontstaan? Net zoals een programma op een computer zich niet zelf kan hebben geschreven? Of een DVD zichzelf niet heeft gebrand?

Of de evolutionist die kijkt naar al die complexiteit van DNA, een cel, de celbiologie, de biologie en de enorme diversiteit van het leven, en dan blijft volhouden dat dit alles vanzelf en puur door toeval zou zijn ontstaan en geëvolueerd door willekeurige toevalsmutaties en een beetje natuurlijke selectie, ondanks dat het fysisch gezien niet kan (in strijd met de Tweede Wet van de thermodynamica), en wiskundig gezien de kans verwaarloosbaar is?

Ja, wie bedrijft er nu pseudowetenschap?

Maak uw eigen ‘Tuin van het Carboon’

Ikzelf ben onlangs begonnen met een project in het kader van een didactische ‘pop-up’ tentoonstelling die ik heb gemaakt rond ‘Evolutietheorie ontkracht’: het samenstellen van een ‘Tuin van het Carboon’. En ieder die dit wil kan dit zelf ook. Je kunt natuurlijk ook een ‘Tuin van het Jura’ maken (of een: ‘Jurassic garden’), en dan gewoon wat coniferen en een gingko (en evt. een cycaspalm) toevoegen aan de planten. Best is om ze in potten te houden, zodat ze verplaatsbaar zijn. Ideaal voor evangelisatiedoeleinden (geen miljoenen jaren evolutie en uitsterving: wel schepping).

Alle planten – varens, paardenstaarten, mossen, wolfsklauwen,… die als fossiel in het Carboon (ca. 300 miljoen jaar geleden) worden gedateerd, worden vandaag als uitgestorven beschouwd. De hele flora van het Carboon zou zijn verdwenen. Maar dat is natuurlijk een ‘wetenschappelijke leugen’ van formaat, net zoals uiteraard de hele “evolutietheorie” met alles dat daarbij hoort, zoals de “miljoenen jaren”. De meeste fossiele varens en paardenstaarten zijn vandaag nog steeds te vinden in onze streken. Andere planten zijn elders te vinden, en eventueel te koop in de handel. Als u er wat geld voor over hebt, kunt u ook die planten (zoals een boomvaren) in uw collectie toevoegen. Eventueel is het handig om de foto van het overeenkomend fossiel af te drukken en bij de desbetreffende plant te tonen.

Maar de meeste zijn gewoon in de natuur te vinden. Om een plant in uw nabijheid te vinden kan men gebruik maken van waarnemingen.be of waarnemingen.nl. Gewoon de plant invoeren in de zoekfunctie, en dan zoeken in uw provincie.

1.Koningsvaren

+Neuropteris regalis (Carboon, Frankrijk).
Koningsvaren (Osmunda regalis). Dubbelgeveerde bladeren kunnen tot 3 meter lang worden. Wereldwijd: zowel in Europa, N-Amerika als Azië, tot zelfs in de tropische gebieden van Midden- en Zuid-Amerika.

2. Dubbelloof

Pecopteris sp. Enkelvoudig geveerd blad. (Carboon, N-Amerika). Ca. 20 cm lang.
Dubbelloof (Blechnum spicant). Zowel in Europa en Noord-Amerika als Azië. Enkelvoudig geveerde bladeren tot 50 cm.

3. Heermoes

Asterophyllites sp. (Carboon, N-Amerika).
Heermoes of akkerpaardenstaart (Equisetum arvense). 10-90 cm hoog. Komt voor op heel het noordelijk halfrond.

4. Reuzenpaardenstaart

Calamites sp. (Carboon, N-Amerika). Stengel ca. 1,5 cm dik.
Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia). Wordt tot 1,8 meter hoog. Stengel ca. 1 tot 1,5 cm dik. Platgedrukt 1,5 à 2 cm. Noordelijk halfrond.

5. Wijfjesvaren

Sphenopteris sp. (Carboon, Frankrijk). Driedubbel geveerd.
Wijfjesvaren (Athyrium felix-femina). Driedubbel geveerd. Heel het noordelijk halfrond.

6. Struisvaren

Pecopteris sp. (Carboon, België). Dubbbelvoudig geveerd. Bladrand effen.
Stuisvaren (Matteuccia struthiopteris). Europa en Azië. 35 – 150 cm. Bladeren dubbel geveerd, effen bladrand.

7. Mannetjesvaren

Sphenopteris sp. (Carboon, Frankrijk). Dubbel geveerd, bladrand getand.
Mannetjesvaren (Dryopteris felix-mas). Dubbel geveerd, getande bladrand. Heel het noordelijk halfrond.

8. Boomvaren

Pecopteris sp. (Carboon, N-Amerika).
Boomvaren Dicksonia sp. (Zuid-Amerika, Oceanië).
Boomvaren (Dicksonia sp.). Zuid-Amerika en Oceanië.
Boomvaren (Dicksonia sp.). Zuid-Amerika en Oceanië.

Wij weten uiteraard dat deze fossielen géén miljoenen jaren oud zijn, maar maximaal een paar duizend jaar oud zijn.

De bewering dat de meeste fossiele “uitgestorven” varens ‘zaadvarens’ (letterlijk van wikipedia: “veel op varens gelijkende uitgestorven planten“) waren, in tegenstelling tot de sporenvarens van nu, is niet enkel een flagrante leugen, maar spreekt zelfs hun eigen theorie tegen: sporen zijn volgens hen “primitiever” dan zaden, maar zaden waren er volgens hen het eerst en zouden dan zijn verdwenen in het Perm. En van sporenvarens zouden we bijna geen fossielen vinden? Quatsch! Bij veel varens heb je onvruchtbare bladeren zonder sporenhoopjes, en vruchtbare bladeren die slechts een kort moment in de zomer verschijnen, en die ofwel er hetzelfde uitzien als de onvruchtbare bladeren, maar dan met sporenhoopjes (zoals wijfjesvaren, mannetjesvaren), ofwel er totaal anders uitzien (eerder stengels, zoals bvb. bij koningsvaren, struisvaren).

Maar omdat enkele ‘paleontologen’ bij een paar fossielen van varens die gedateerd werden in het Carboon, dingen hebben gevonden die op zaden geleken (en die wellicht ook zaden waren), zijn ze ervan uitgegaan dat die zaden bij die varens hoorden, terwijl dat niet zo was. Die zaden waren afkomstig van zaadplanten die in de nabijheid van die varens groeiden. Maar dat is een ‘no-go’ voor de evolutionisten. Andere zaadplanten bestonden toen nog niet volgens de evolutietheorie. Dus wat verzinnen ze dan? Zaadvormende “op varens gelijkende uitgestorven planten”…

De hele paleontologie, en dus de evolutietheorie is gewoon één grote opeenstapeling van leugens. Leugens om toch maar niet te moeten toegeven dat God bestaat; dat er een eeuwig leven is; dat de Schepping recent was, en dat de Zondvloed – de straf van God voor de goddelozen van die tijd – écht was. En dat Jezus Christus – het vleesgeworden Woord van God – is gekomen om ons te verlossen van onze zonden, opdat we niet om onze zonden veroordeeld zouden moeten worden, op voorwaarde dat we in Hem geloven en berouw hebben.

Dinosaurussen in de Bijbel

Dat dinosaurussen geen miljoenen jaren geleden hebben geleefd, heb ik reeds meerdere malen uiteengezet. Er wordt nog origineel celmateriaal gevonden, tot zelfs zenuwcellen, bloedcellen, bloedvaten en beenvormende cellen; én indien de fossielen worden onderworpen aan een C-14 test, dan wordt er ALTIJD C-14 in teruggevonden, wat erop wijst dat die botten geen miljoenen jaren oud kunnen zijn. En dan heb je de verhalen in de Bijbel – Gods onfeilbare Woord – over grote monsters, die niets anders dan dinosaurussen kunnen geweest zijn.

Lezen we even een verhaal van Daniël, dat we moeten situeren in de 6de eeuw vóór Christus:

De Babyloniërs vereerden ook nog een grote draak. De koning sprak Daniël over die draak en zei: ‘Van hem kun je niet zeggen dat hij geen levende god is: aanbid hem dus!’ Daarop antwoordde Daniël: ‘De Heer, mijn God, aanbid ik, want Hij is een levende God.  Geef mij verlof, koning, dan zal ik zonder stok of zwaard de draak doden.’ De koning zei: ‘Ik geef je verlof.’  Daniël nam nu pek, vet en haren, bracht dat tezamen aan de kook en maakte er koeken van; die stopte hij de draak in de muil. Het beest vrat ze op en barstte open. Toen zei Daniël: ‘Dat hebben jullie vereerd!

Daniël 14,23-27

Over welk soort dinosaurus het hier ging, weten we niet, maar een gevaarlijk dier zal het niet geweest zijn. Ook in andere boeken van de Bijbel worden monsters of draken vernoemd.

Ongeteld zijn uw werken, o Heer, Gij schiep ze alle met wijsheid. Van uw rijkdom vervuld is de aarde. Groots, wijd uitgestrekt ligt de zee: daar is eindeloos levend bewegen van dieren – de kleine, de grote; daar nemen de schepen hun weg; Leviatan huist er, formatie van U, Gij kunt ermee spelen.

Psalm 104,24-25

Het gaat over hetzelfde monster waar Jesaja over spreekt:

Op die dag straft Jahwe Leviatan, de vluchtende slang. Leviatan, de kronkelende slang, met zijn geducht, groot, machtig zwaard, en slacht Hij het zeemonster af. 

Jesaja 27,1

Een zeemonster dat wat weg heeft van een slang? Het kan wel eens gaan over de Elasmosaurus:

Bij Job (ca. 200 v. Chr.) geeft God een beschrijving van een monster dat ‘behemoth’ wordt genoemd, en in de meeste moderne Bijbelvertalingen (ook Willibrord van 1975) foutief als ‘nijlpaard’ wordt vertaald. Echter, de omschrijving van dat monster komt niet overeen met een nijlpaard, maar met een dinosaurus, meer bepaald een brachiosaurus of een soortgelijke dinosaurus. De oorspronkelijke passage luidt aldus:

Zie eens behemoth, dat Ik bij u gemaakt heb: gras eet het als een rund; maar wat een kracht in zijn lenden, wat een macht in de spieren van zijn lijf! Stijf strekt het zijn staart uit als een ceder, dooreengevlochten zijn de pezen van zijn dijen. Zijn beenderen zijn metalen buizen, zijn knoken als ijzeren stangen. Het is het eerste van Gods werken.

Job 40,10-19

Deze passage kan onmogelijk over een nijlpaard gaan, want die heeft – net zoals geen ander dier dat vandaag nog bestaat – niet een staart zoals een ceder. Een nijlpaard heeft daarentegen een heel kort en klein stompachtig staartje! Ook is een nijlpaard nu geen zo’n krachtpatser zoals God dat geweldige beest beschrijft…

Een brachiosaurus of een diplodocus is meer aan de orde:

Waarom wordt de Bijbel op dat gebied vervalst (en zeker in moderne vertalingen)? Omdat ‘theologen’ en Bijbelvertalers verkeerdelijk menen dat dinosaurussen allang uitgestorven waren voordat de mens er kwam… Heden zijn ze wel uitgestorven, maar ze leefden geen ‘miljoenen jaren geleden’…

Het objectief en authentiek wetenschappelijk bewijs liegt niet, evenmin het authentieke onvervalste Woord van God!

Presentatie: Evolutietheorie of Scheppingsverhaal?

In deze presentatie van 96 minuten worden diverse aspecten besproken: het bewijs voor de evolutietheorie in het geologisch archief (fossielen, aardlagen, dateringen); celbiologisch bewijs voor de evolutietheorie (DNA en mutaties) en tot slot wordt een besluit geformuleerd en besproken wat de H. Schrift en de Kerk leert in deze kwestie.

Kleurvariatie bij dieren

Een fragment uit een naturalistisch boek over kleuren bij dieren:

We veronderstellen dat vaak dat de kleuren binnen een diersoort onveranderlijk zijn, maar dat is niet zo. Als we zeggen dat de kleur van een bepaalde soort bruin of rood is, wil dat nog niet zeggen dat alle dieren van dezelfde soort ook diezelfde kleur hebben. De kans is groter dat er in die ene soort evenveel kleurvariaties voorkomen als bij de haren van een mens.

Er leeft op het noordelijk halfrond een wilde hond die men wolf, Noord-Amerikaanse wolf, grijze wolf of rode wolf noemt. In alle gevallen gaat het om dezelfde soort. Een wolf in het arctische gebied is vaak wit, in Amerika gewoonlijk grijs, in Florida zwart, en dan hebben we niet eens alle kleuren gehad. Een wolf kan geel, bruin of rood zijn. Zelfs een grijze wolf is niet echt grijs, maar heeft witte, zwarte, grijze en bruine haren. Een wolf kan na het verharen een andere kleur krijgen. In sommige streken komen voornamelijk grijze wolven voor, maar er kunnen ook een paar zwarte, rode of witte bij zijn.

De Aziatische goudkat kent kleurfasen die rood of grijs, gevlekt of niet gevlekt kunnen zijn. Deze variaties kunnen in één nest voorkomen of na elke verharing op elkaar volgen. De serval, een Afrikaanse boskat, is gelig met een opvallend patroon van zwarte strepen en vlekken.

En nu komt het:

Soms kan het dier zijn strepen kwijtraken en er kleine vlekjes voor in de plaats krijgen. Vroeger dacht men dat dit een totaal andere soort was en men noemde hem de servaline.

Conclusie: zelfs binnen de door de wetenschap gedefinieerde ‘soort’ is heel wat variatie mogelijk, zodanig zelfs dat bepaalde varianten als andere soorten werden/worden beschouwd. Maar het onomstootbare feit dat er kruisingen kunnen gemaakt worden tussen verschillende zogenaamde ‘soorten’, bvb. leeuw en tijger (liger), ijsbeer en bruine beer (grolar beer), wolf en hond (wolfshond), paard en zebra (zorse), serval en huiskat (savanna-kat), bizon en rund (beefalo), leeuw en jaguar (jagleeuw),… toont dat deze zogenaamde ‘soorten’ geen soorten zijn, maar ‘rassen’ of ondersoorten van een soort, die perfect onderling met elkaar kunnen kruisen.

Uit: “BURTON, Jane en Maurice, De kleurrijke wereld van de dieren, Market Books bv, Baarn, 1976

Zenuwcellen uit het Perm?

Mark H. Armitage stuurde ons een foto door van een zenuwvezel, teruggevonden in een fossiel bot van Eryops, een soort amfibie dat naar verluidt leefde in het Perm, zogezegd zo’n 280 miljoen jaar geleden!

De grijze bolletjes zijn lipidendruppels (vet) die uit de zenuwvezel (epineurium) zijn gekomen, ten gevolge van de druk door het dekglaasje.

De vondst zal nog worden gepubliceerd.

VIDEO: levende fossielen: nautilus (deel 2)

In een vorige video toonde ik dat de uitgestorven Cymatoceras sp. (Madagascar, 100 Ma) en Nautilus pompilius (Indopacifische regio) eigenlijk hetzelfde zijn. Cymatoceras is NIET uitgestorven. In deze nieuwe video toon ik dezelfde stukken, maar nu doormidden gezaagd, en geef ik nog sterker bewijs dat deze hetzelfde zijn:

Trilobieten: uitgestorven? Of toch niet?

Serolina sp., aangespoeld op de Chileense kust.

Trilobieten zouden aan de “wieg van de evolutie” staan. Ze ontstonden zogezegd in het Cambrium (ruim 500 miljoen jaar geleden) en ze zouden gefloreerd hebben tot aan het eind van het Perm, zo’n 252 miljoen jaar geleden. Daarna stierven ze zogezegd volledig uit. Ze zouden dus niet meer bestaan. Maar is dat echt wel zo?

Trilobieten waren een soort mariene geleedpotigen. Een kenmerk is dat ze vele segmenten hebben en van ver een beetje lijken op onze pissebedden. Ze konden zich ook oprollen.

Er zijn zeker 20.000 soorten teruggevonden, in verschillende vormen en maten…

Maar zijn die nu werkelijk uitgestorven?

Er bestaan landpissebedden, die u ongetwijfeld ook al in uw tuin hebt gezien, maar er bestaan ook zeepissebedden en aanverwante soorten. Kijken we even naar één familie uit de orde Isopoda. Beslist u zelf: zijn ‘trilobieten’ in het geheel uitgestorven of toch niet?

Familie Serolidae: het geslacht Serolina

Serolina sp., aangespoeld op de kust van Chili. Grootte: 4 cm.

Familie Serolidae: het geslacht Serolella

Serolella bouvieri, opgevist nabij Antarctica (frontaal aanzicht)
Serolella bouvieri, opgevist nabij Antarctica (zijaanzicht)
Serolella bouvieri, opgevist nabij Antarctica (bovenaanzicht)

Het is duidelijk dat men de wereld blaasjes heeft wijsgemaakt!

De flora van de tijd van de Dino’s bestaat nog altijd: het bewijs

Klassiek worden afbeeldingen met dinosauriërs altijd getoond met varens, boomvarens, reuzenpaardenstaarten, ginkgo’s, palmvarens, coniferen en andere gelijksoortige zogezegd “primitievere” planten. Dit zou de flora “ten tijde van de dinosauriërs” geweest zijn… en die flora zou samen met de dino’s grotendeels ten onder zijn gegaan 66 miljoen jaar geleden. Naast het feit dat de overblijfselen van die dino’s geen miljoenen jaren oud zijn, doordat er zacht weefsel en origineel celmateriaal in wordt gevonden, bestaat die flora nog steeds. En ik zal u het bewijs geven.

Paardenstaarten

Bij ons kent iedereen wel de kleinere paardenstaartsoorten zoals heermoes en bospaardenstaart. Maar niet zoveel mensen weten dat hier bij ons in Europa ook de reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia) voorkomt die tot 1,80 meter hoog kan worden. Ze komt vooral voor in drassige gebieden. Elders in de wereld heb je nog veel grotere soorten. Zo heb je de zuidelijke reuzenpaardenstaart (Equisetum giganteum) die in Centraal- en Zuid-Amerika voorkomt en 2 tot 5 meter hoog kan worden. Tot slot heb je nog de Mexicaanse reuzenpaardenstaart (Equisetum myriochaetum) die eveneens in draslanden van Centraal- en Zuid-Amerika voorkomt en tot 8 meter hoog kan worden! Deze paardenstaarten vormen vaak hele bossen.

Equisetum myriochaetum, die voorkomt en Centraal- en Zuid-Amerika.

Boomvarens

Bij boomvarens heb je verschillende soorten die op aarde voorkomen. Voorbeelden zijn:

Dicksonia sellowiana, die voorkomt in regenwouden van Centraal- en Zuid-Amerika.
De Norfolk boomvaren (Cyathea brownii), die tot wel 20 meter hoog kan worden.

Ginkgo’s

Daar bestonden in de tijd van de dinosauriërs zogezegd zeer veel (zogezegd nu uitgestorven) soorten van, met diverse bladvormen. De enig vandaag bestaande soort is de Japanse notenboom (Ginkgo biloba):

Ginkgo biloba

Kijken we echter even naar de enorme mogelijke variatie in bladvorm bij Ginkgo biloba:

Variant met een diepe inkeping in het midden en twee inkepingen in de twee lobben.
Variant met bladeren zonder lobben.
Variant met bladeren met twee lobben, zonder diepe inkeping in de twee lobben.
Dit fossiel wordt dan toegekend aan ‘+Ginkgo dissecta‘, terwijl Ginkgo biloba evenzeer deze bladeren kan produceren!

Palmvarens

Dit is nog zo’n groep planten die vooral zou geleefd hebben ten tijde van de dinosauriërs. Er zouden heel veel “uitgestorven soorten” bestaan. Palmvarens komen vandaag echter nog steeds voor in alle grote tropische regio’s in de wereld, inclusief Afrika, Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en noem maar op. Er bestaan vandaag honderden soorten. Sommigen kunnen meer dan 1000 jaar oud worden.

Cycaspalm (Cycas revoluta)

Coniferen

Hier hoeven we geen tekeningetje bij te maken. Onder coniferen kennen we alle klassieke naaldbomen, zoals cypressen, dennen, sparren, zilversparren, sequoia’s, watercypressen (Metasequoia) enz… Nog allemaal te vinden vandaag.

Zwarte den (Pinus nigra)

Varens

Bij varens idem: dit zijn zogezegd “primitieve” planten; er bestaan vandaag nog steeds duizenden soorten wereldwijd, van in de tropen tot in de gematigde gebieden zoals bij ons.

Dubbelloof (Blechnum spicant)

De flora van de “tijd van de dino’s” bestaat nog altijd. En die dino’s leefden dan ook zo lang geleden niet…

Film lezing: Lucy of Adam? Een kritische blik op het fossiel bewijs voor menselijke evolutie (update)

Omdat de lezing voor sommigen niet goed verstaanbaar was wegens geen al te goede audio, werd de lezing opnieuw opgenomen:

Vimeo: