Het wonder van de venusvliegenval

In de plantenwereld heb je mossen, varens, coniferen, loofbomen, kruidachtige planten, enz. Al deze planten halen hun nutriënten uit de bodem (met uitzondering van bvb. parasiterende planten), en doen aan fotosynthese. Er zijn slechts een handvol plantensoorten die vleesetend zijn (bvb. bekerplanten, zonnedauw en de venusvliegenval). Vooral de venusvliegenval (Dionaea) is één die eruit springt. Dit héél bijzonder plantje (waarvan ik ook een exemplaar heb) is één van dé voorbeelden bij uitstek van organismen die onmogelijk ‘stapsgewijs’ kunnen “geëvolueerd” zijn. Het zit zo complex en prachtig in elkaar, dat ieder weldenkend mens inziet dat dit MOET ontworpen geweest zijn: langzame evolutie van een niet-vleesetende plant naar een venusvliegenval kan zelfs in geen miljard jaar.

Van wikipedia:

De venusvliegenval is een plant die bij aanraking zijn ingewikkeld geconstrueerde vangblad kan dichtvouwen om insecten, vooral vliegen en mieren, en spinnen te vangen. Het vangmechanisme is een van de snelst bekende bewegingen in het plantenrijk met een duur tot 100 milliseconden.

De vangbladeren bestaan uit een sterk verbrede bladsteel, die tien centimeter lang kan worden. Het blad, dat van binnen rood is bij blootstelling aan zonlicht, is bijna rond en tot vijf centimeter in diameter. De kleur en de vloeistof die door nectariën op het blad worden uitgescheiden, dienen om prooien aan te trekken. Als knop staat het blad, gesloten en aan de randen naar binnen gevouwen, op de nog zeer korte bladsteel gevouwen. Pas als de steel grotendeels volgroeid is klapt het blad op en open. De randen van het blad zijn voorzien van puntige borstelharen en getekend met een UV-patroon. Daardoor lijkt de rand donkerder in de ogen van een insect dan het midden van de twee bladhelften, waar er elk drie tot negen zeer dunne voelerharen staan. De haren hebben een tapsheid direct boven hun basis die fungeert als een gewricht en waarachter zich in het bladweefsel een receptorcel bevindt. Het gewricht bevordert niet alleen de stimulus van de receptorcel, maar zorgt er ook voor dat de haren wegklappen wanneer de val gesloten is.

Als een mogelijke prooi binnen 20 seconden twee keer een of meerdere tastharen aanraakt, wordt een actiepotentiaal geactiveerd, dat zich met een zeer hoge snelheid (6 tot 20 cm / s) over het hele blad voortplant en de sluiting initieert. De helften van de bladeren van de val slaan tegen elkaar aan als een strijkijzer en verrassen het slachtoffer. Er werd lang gediscussieerd over hoe de daadwerkelijke sluiter wordt geactiveerd. In 2004 is het mechanisme experimenteel bewezen: in geopende toestand zijn de bladhelften convex gekromd, dit wordt gedaan door de buitenkant van de bladhelften over het gewricht met ongeveer 10% samen te trekken. In deze gespannen toestand wacht de val op het triggersignaal. Met behulp van nog onbekende fysiologische processen veroorzaakt dit een kleine verandering in de kromming, waarna de val plotseling verandert van convexe naar concave vorm (vergelijkbaar met een brekende contactlens) en instort als een geklemd beenklem. Deze sluiting is echter nog niet voltooid. Grotere insecten worden gevangen door de lange borstelharen en het is voor hen onmogelijk om te ontsnappen. Als de prooi echter beduidend te klein is, kan hij in de open lucht komen tussen de nog enigszins geopende borstelharen en bespaart de plant zichzelf tijdrovende verteringsprocessen die niets met de opbrengst te maken hebben. Bovendien controleren chemische en bewegingsreceptoren na het sluiten of de gevangen prooi ook daadwerkelijk bruikbaar is. Pas als ze een overeenkomstige stimulus hebben doorgegeven, is de val volledig gesloten, anders gaat hij na enkele uren tot een dag weer open en valt de dode prooi op de grond. Hier wordt het afgebroken en worden de voedingsstoffen via de wortels opgenomen. Deze uitbuiting van de prooi vormt het grootste deel van de energievoorziening. Als er echter een goed verteerbare prooi is gevangen, wordt de afdichting vervolgens versterkt door groei om de val volledig af te sluiten en eventuele lekkage van vloeistof tijdens de daaropvolgende vertering te voorkomen. Door deze groei kan de val na de spijsvertering tot 10% groter worden.

Een spijsverteringssecretie die amylasen, esterasen, fosfatasen, proteasen, ribonucleasen en, in kleine sporen, chitinasen bevat, wordt nu uitgescheiden door kleine, zittende klieren. De planten verteren de gevangen insecten en nemen de opgeloste voedingsstoffen op via cellen. Wat overblijft zijn onverteerde overblijfselen zoals het chitinepantser en de poten. De vertering kan tot wel tien dagen duren, afhankelijk van de grootte van de prooi, daarna gaat de val weer open en is weer klaar voor gebruik nadat de onverteerbare resten door regen of wind zijn verwijderd. Een val sluit maximaal zeven keer, daarna sterft het blad met de val.

De venusvliegenval kan zelfs bosbranden overleven, en schiet dan terug op vanuit de wortelstok. Het leeft in stikstofarme moerasgebieden in Zuid-Carolina (de VS).

Evolutie wordt verondersteld te gebeuren door kleine stapsgewijze mutaties in het DNA van een organisme. Echter, bij dit mechanisme is het duidelijk dat alles (tastharen, vangbladeren, borstelharen,verteringsmechanisme met cellen die enzymen aanmaken,…) vanaf het begin tegelijk moet aanwezig zijn, én perfect moet werken om een werkzame val te hebben waaruit een insect niet kan ontsnappen. Graduele evolutie uit een niet-vleesetende plant door stapsgewijze mutaties is hier ZEKER TOTAAL uitgesloten (zoals natuurlijk bij de rest van al het leven op aarde, enkel variatie binnen de soort (vaak ‘geslacht’ of ‘familie’).

De venusvliegenval is een waar wondertje van de Schepper!

One Comment on “Het wonder van de venusvliegenval

Plaats een reactie